Rijksoctrooiwet 1995; Artikel 12
Lid 1 - Indien de uitvinding, waarvoor octrooi
wordt aangevraagd, is gedaan door iemand die in dienst van een
ander een betrekking bekleedt, heeft hij aanspraak op octrooi,
tenzij de aard van de betrekking medebrengt, dat hij zijn
bijzondere kennis aanwendt tot het doen van uitvindingen van
dezelfde soort als die waarop de octrooiaanvrage betrekking heeft.
In het laatstbedoelde geval komt de aanspraak op octrooi toe aan de
werkgever.
Lid 2 - Indien de uitvinding, waarvoor octrooi
wordt aangevraagd, is gedaan door iemand die in het kader van een
opleiding bij een ander werkzaamheden verricht, komt de aanspraak
op octrooi toe aan degene bij wie de werkzaamheden worden verricht,
tenzij de uitvinding geen verband houdt met het onderwerp van de
werkzaamheden.
Lid 3 - Indien de uitvinding is gedaan door
iemand die in dienst van een universiteit, hogeschool of
onderzoeksinstelling onderzoek verricht, komt de aanspraak op
octrooi toe aan de betrokken universiteit, hogeschool of
onderzoeksinstelling.
Lid 4 - Voor de toepassing van artikel 4, derde
en vierde lid, op het onderwerp van een aanvrage, ingediend door de
in het eerste lid, laatste volzin, bedoelde werkgever dan wel door
degene die de gelegenheid biedt om werkzaamheden te verrichten als
bedoeld in het tweede lid, blijft een door de niet gerechtigde
ingediende octrooiaanvrage buiten beschouwing.
Lid 5 - Van het in het eerste, tweede en derde
lid bepaalde kan bij schriftelijke overeenkomst worden
afgeweken.
Lid 6 - Ingeval de uitvinder niet geacht
kan worden in het door hem genoten loon of de door hem genoten
geldelijke toelage of in een bijzondere door hem te ontvangen
uitkering vergoeding te vinden voor het gemis aan octrooi, is
degene aan wie krachtens het eerste, tweede of derde lid, de
aanspraak op octrooi toekomt, verplicht hem een, in verband met het
geldelijke belang van de uitvinding en met de omstandigheden
waaronder zij plaatshad, billijk bedrag toe te kennen. Een
vorderingsrecht van de uitvinder krachtens dit lid vervalt na
verloop van drie jaren sedert de datum waarop het octrooi is
verleend.
Lid 7 - Elk beding, waarbij van het zesde lid
wordt afgeweken, is nietig.