In tijden van crisis kunnen ingenieurs het verschil
maken 03-12-2011 (TW48)
De economische crisis welke Europa op dit moment ondergaat,
lijkt zich verder uit te breiden. Groeiverwachtingen worden naar
beneden bijgesteld, investeringen uitgesteld en het
consumentenvertrouwen daalt. Ook financiële beurzen delen in
de neerwaartse spiraal. Kijken we naar de bedrijven, dan kunnen we
vaststellen dat er, na de financiële crisis die in de
Verenigde Staten begon, verstrekkende maatregelen getroffen zijn.
Kostenbesparingen zijn doorgevoerd, de productielijn is
efficiënter gemaakt en dure voorraden zijn verminderd. In de
tweede helft van 2010 zien we dan ook, bij veelal licht stijgende
omzetten, een duidelijke verbetering van de resultaten optreden.
Beurzen reageren positief en we geloven dat de economische dip
voorbij is.
Dan blijkt dat de Grieken, de Portugezen en de Ieren hun
boekhouding niet helemaal op orde hebben en dat de uitgaven van de
respectievelijke landen wel erg ver afliggen van de inkomsten. Een
heuse Eurocrisis is het gevolg. Op het moment dat ik deze column
schrijf, heeft Italië zich aan de lijst van probleemlanden
toegevoegd en heeft ook Hongarije zich gemeld.
Zoals ieder gezin weet, gaat het vroeg of laat fout, als
inkomsten en uitgaven niet in overeenstemming zijn met elkaar. Je
kunt lenen, maar ook aflossingen en rentebetalingen kosten geld en
moeten verdiend worden. In dat laatste woord schuilt de oplossing.
Er moet verdiend worden om aflossingen te betalen en schulden te
verminderen. Dat kan met de verkoop van diensten en producten. En
dan het liefst aan landen buiten de eurozone, om op die manier
extern geld binnen te halen. Het is de regel die we al op de
kleuterschool leren.
Toch lijkt het erop dat we in een zodanig neerwaartse spiraal
terecht zijn gekomen, dat we deze eenvoudige principes vergeten.
Het ontwikkelen van technieken, het maken van producten, waaraan
afnemers in de wereld behoefte hebben, lijkt de aangewezen weg. Om
daarbij de concurrentie uit andere landen af te troeven, moeten we
dus beter, sneller en misschien wel goedkoper zijn. Dan kan alleen
als we voortdurend innoveren, in zowel materialen en producten als
in systemen en processen.
We beschikken over hoogwaardige technische opleidingen en goede
ingenieurs. Daarnaast zijn ondernemerschap, moed, en
financiële middelen nodig om bedrijven en activiteiten op te
starten. Met hun technische kennis en maatschappelijke
betrokkenheid zijn ingenieurs dé aangewezenen om, na het
opblazen van de financiële bubbels, de handschoen op te
pakken. Uitdagingen liggen er overal. Denk hierbij aan de
vergrijzing, de verstedelijking, de grondstoffenschaarste, enz.
Het Koninklijk Instituut van Ingenieurs KIVI NIRIA biedt
ingenieurs het platform, om niet alleen met hun vakcollega’s,
maar ook met andere faculteiten in de samenleving het initiatief te
nemen. Aan de basis van iedere economische opleving liggen
innovaties van ingenieurs. Zij waren in die periodes ook bereid
leidende functies in de publieke sector op zich te nemen. In
moderne termen: ingenieurs kunnen het verschil maken! Collegae
ingenieurs, mannen en vrouwen: laten we de handschoen oppakken!
Martin C.J. van Pernis, President KIVI NIRIA
Snelle invoering van e-mobility gewenst 08-10-2011
(TW40)
“Jongeren ontdekken in toenemende mate de elektrische
scooter", zo luidde onlangs de kop van een krantenbericht. Na
hybride fietsen en auto’s verschijnen er ook steeds vaker
geheel elektrisch aangedreven auto’s, motorfietsen en
scooters. Nieuwe namen als e-bike, e-car en e-scooter zullen
alledaagse begrippen worden. Met de acceptatie van e-cars hebben we
nog altijd moeite. Immers, hoe moet dat met zo’n auto als we
met vakantie willen naar Oostenrijk en de meter bij Keulen al
aangeeft dat de acculading het rode vlak nadert. Dat wordt dus
lastig.
Terwijl we natuurlijk allang weten dat de gemiddelde, dagelijkse
reisafstand van alle automobilisten niet meer dan 60 kilometer
bedraagt. Toch zal blijken dat de e-car en haar twee-wielige zusjes
een serieuze aanval op de klassieke voertuigen zullen plegen.
Berekeningen geven aan dat de e-car, ondanks een reikwijdte van
50-70 kilometer, nu al in staat is om 60 procent van alle
autoritten over te nemen. Veel meer voertuigen met een
bezorgfunctie, die meestal werken met dagritten, zouden met de
e-car kunnen worden uitgevoerd. Denk bijvoorbeeld aan een
koeriersdienst.
We zullen eraan moeten wennen dat we voor de langere afstanden
andere vervoermiddelen gaan gebruiken. Hoge snelheidsnetten met
comfortabele treinen worden in hoog tempo uitgebreid; de kosten van
vluchten naar vakantiebestemmingen liggen langzamerhand beneden die
van de vergelijkbare autokosten. En voor wie toch met grote
regelmaat de lange afstand op eigen wielen wil afleggen, zal in de
toekomst naast de benzine- en dieselauto, de op waterstof
aangedreven auto een mogelijk alternatief bieden.
Dankzij een aanzienlijk kleiner aantal (bewegende) onderdelen en
het ontbreken van dure onderdelen als versnellingsbakken, zullen de
e-cars uiteindelijk aanzienlijk lager geprijsd zijn. In nog grotere
mate zullen de onderhoudskosten onder die van de huidige
auto’s liggen. Wat wel van groot belang is bij de verdere
inzet van de e-car, e-bike en e-scooter is de uitrol van de
zogenaamde smart-grids. Smart-grids vormen de netwerken die het
mogelijk maken op veel plaatsen laadpunten aan te sluiten.
Oplaadpunten die moeten worden geïntegreerd in de woning, het
kantoor, het restaurant, het ov-knooppunt, enz.
Europese of zelfs wereldwijde standaards zijn hierbij een
absolute voorwaarde. Op zich is dat voor de elektrotechnische
sector niet nieuw. Bij wandcontactdozen hebben we nog meerdere
standaards in de wereld; bij lampfittingen, telefoonaansluitingen,
dataverbindingen past vrijwel ieder land dezelfde standaards toe.
In meer moderne terminologie is het dus zaak dat er een
‘USB’-aansluiting voor de e-mobility wordt
vastgelegd.
Gezien de intensieve auto-industrie in Europa liggen hier grote
kansen om initiatieven te nemen. Inzake de smart-grids heeft
Nederland grote kansen gezien de bescheiden omvang van ons land en
de grens met slechts twee landen. Onze zusterorganisatie in
Duitsland, VDI, heeft aan dit thema een speciaal congres gewijd.
Ook het Koninklijk Instituut van Ingenieurs KIVI NIRIA zal zich
samen met marktpartijen beijveren voor de vastlegging van
standaards en de snelle invoering van e-mobility.
Martin C.J. van Pernis, President KIVI NIRIA
Europese samenwerking 10-09-2011 (TW36)
De Duitse Bundesagentur für Arbeit, vergelijkbaar met onze
UWV, werft actief ingenieurs in Spanje. In de sterk groeiende
Duitse industrie dreigt een groot tekort aan goed opgeleide
ingenieurs. Dit heeft enerzijds te maken met een toename van het
aantal Duitse ingenieurs die in het buitenland werken –
veelal voor Duitse ondernemingen – maar ook door de groei van
de industrie. Het aantrekken van ingenieurs wordt aantrekkelijk
gemaakt door het aanbieden van faciliteiten die op het gezin
gericht zijn, zoals goed onderwijs, kinderopvang en gunstige
woonmogelijkheden.
Feitelijk is het merkwaardig dat Elsevier en het Financieele
Dagblad recent artikelen wijdden aan deze arbeidsmigratie. Immers,
je zou in een Europa, waarin de grenzen zijn vervaagd, verwachten
dat het totaal aan arbeidspotentieel dat aanwezig is, ingezet zou
worden op die plaatsen waar werkgelegenheid is. Tekorten op de ene
plaats en overschotten op een andere genereert per definitie een
economisch verlies en dus een verzwakking ten opzichte van de
economie in de VS en het Verre Oosten.
Landen beklagen zich regelmatig over de braindrain naar de
buurlanden. Daar waar bedrijven erin slagen multinationaal te
werken, lijken regeringen angst te hebben voor verlies van de
zelfstandigheid van de individuele landen. EADS bouwt zijn
vliegtuigen en ruimtevaartconstructies in een reeks van Europese
landen. Volkswagen AG bouwt varianten op een universele basis in
meerdere landen. Beide voorbeelden staan daarmee aan de top van
globale ondernemingen. Ook trekken bedrijven als EADS, Volkswagen
en anderen een reeks van MKB ondernemingen mee, waar niet alleen in
opdracht wordt geproduceerd, maar waar ook een ontwikkeling van het
onderzoek naar de beste technieken voor de onderdelen plaats
vindt.
De BRIC-landen en het Verre Oosten zijn geen gevaren, maar juist
fantastische uitdagingen voor een goed samenwerkende Europese
industrie. Wanneer dat wordt ondersteund door een werkelijk
Europese gezamenlijke politiek, dan kan Europa op basis van wat er
nu al is, de sterkste economische macht in de wereld worden.
Het Koninklijk Instituut van Ingenieurs KIVI NIRIA speelt hierop
in door de introductie van een Europees Ingenieursregister dat
Nederland als tweede land in Europa zal lanceren en de daarmee
samenhangende engineering card. Dit zal het werken van ingenieurs
tussen de landen vereenvoudigen en zelfs stimuleren. Op donderdag 3
november aanstaande tijdens de Dag van de Ingenieur zal ik de
eerste kaart overhandigen. Let op de convocaties en schrijf u
in.
Martin C.J. van Pernis, President KIVI NIRIA
Made in Holland 23-07-2011 (TW28/29)
“DuPont Dordrecht troeft China af met uitbreiding van
productie kunststoffen”. Zo luidt de kop van een artikel in
het Financieele Dagblad van 30 juni jl. Eén van de
woordvoerders geeft als een belangrijke reden aan het feit dat
DuPont dichter op de klanten in Europa wil zitten. Het betreft hier
de productie van speciale harsen die gebruikt worden bij de
productie van speciale kunststoffen, die tot nu toe plaatsvindt in
dochterbedrijven van DuPont in China, de VS en Canada. Deze
kunststoffen zijn geavanceerde producten die we terugvinden in de
verpakkingen van bijvoorbeeld voedingsmiddelen. Een belangrijk
element van DuPont om de productie naar Dordrecht terug te halen
was de nabijheid van de afnemers en de intensieve dialoog met die
afnemers. Daarnaast bleek ook het terugbrengen van de leveringstijd
een belangrijk element.
Al eerder besloot Philips zijn productie van scheerapparaten
‘terug te halen’ naar Drachten. In omgekeerde richting
zien we dat Chinezen producten en productiecapaciteit opstarten of
overnemen in Europa en de VS. Dit alles zijn voorbeelden van het
concentreren van productiefaciliteiten dichtbij de afzetgebieden.
Dit is niet alleen het gevolg van de procentueel hoge
transportkosten van producten, maar ook de invloed van de lokale
markten op het product. Ook is een belangrijk element het
combineren van kennis die bij afnemer en producent ligt. Zo is in
de auto-industrie het grootste deel van de auto geproduceerd
én ontwikkeld door toeleverings- – of beter
– partnerbedrijven van het betrokken concern.
Kennis van de markt van de klant én de aanwezigheid van
technologiekennis zijn de belangrijkste elementen bij deze
ontwikkelingen. Het delen van kennis is één van de
grondbeginselen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs KIVI
NIRIA. Het ontwikkelen en delen van technische kennis zal ook de
basis zijn van de economische ontwikkelingen in ons land. Laten we
daarom zorgen voor voldoende interesse in de technische beroepen en
trots zijn op onze technische prestaties.
Martin C.J. van Pernis, President KIVI NIRIA
Maakindustrie 11-6-2011 (TW23)
KIVI NIRIA Students in Eindhoven nam het initiatief tot een
serie van vier CEO lezingen. Twente en Delft hebben besloten dit
goede initiatief over te nemen. Zelf mocht ik het spits afbijten
door de eerste lezing in Eindhoven te verzorgen. Wij hadden een
levendige discussie over Siemens, over Philips, over
carrières, over kansen, enz. Gezamenlijk kwamen wij tot de
conclusie dat de belangrijke aandachtspunten voor Nederland
én Europa, de maakindustrie en het onderwijs waren.
Het was dan ook niet geheel toevallig dat een week later,
eveneens in Eindhoven, in een bijeenkomst van ING, ASML en de
gemeente Eindhoven identieke conclusies werden getrokken. Sprekers
als Jan Hommen (ING), Harry Hendriks (Philips), Peter Wensink
(ASML) en Dirk Jan van den Berg (TU Delft), kwamen tot eensluidende
conclusies. Meer dan 50% van onze export betreft leveringen van de
Nederlandse maakindustrie. In een onderzoek van ING komt naar voren
dat de rol van de maakindustrie ook in de komende decennia van
cruciaal belang zal zijn.
Natuurlijk zal de industrie voldoende innovatief moeten blijven
en bereid moeten zijn zijn R&D budgetten op peil te houden of
zelfs te verruimen. Toch kan dit alles niet zonder hulp van de
overheid. In eerdere columns wees ik al eens op het verschil in de
benadering van de industrie in landen als Duitsland en Frankrijk
met die in Nederland. Ook de voortdurende beleidswijzigingen door
verschillende kabinetten vormt een enorme afbreuk in de potentie
van Nederland. Wij zullen de maakindustrie in de mondiale
concurrentie slechts kunnen verbeteren wanneer we voldoende
aandacht geven aan de opleidingen van technische studenten. Het
gaat hier om kwantiteit én om kwaliteit. Er zal een
stimulans moeten komen voor techniek studies. De aantrekkelijkheid
zal vergroot moeten worden.
De ING studie geeft aan dat de toegevoegde waarde van de
industrie in de komende twintig jaar kan worden verdubbeld. Maar
dan zal er een intensieve samenwerking moeten ontstaan tussen
politiek, kennisinstellingen en ondernemingen. En laten we eerlijk
zijn, we hebben een groot aantal ondernemingen die deze handschoen
wel willen oppakken. De oproep aan de overheid, en misschien moeten
we zelfs van noodroep spreken, is om samen met de ondernemingen, de
kennisinstituten, de financiers en de betrokken ministeries het
initiatief te nemen met een duidelijke doelstelling voor de zo
belangrijke maakindustrie.
Het Koninklijk Instituut Van Ingenieurs KIVI NIRIA en zijn 24.000
enthousiaste leden zijn bereid hierin een nadrukkelijke rol te
spelen.
De CEO series zullen in Eindhoven worden voortgezet; in Twente
start een serie in het najaar en Delft volgt begin 2012. Ik roep
alle techniekstudenten op hun bijdrage in deze sessies te
leveren.
Martin C.J. van Pernis, President KIVI NIRIA
Zorg(elijk) dossier 14-05-2011 (TW18/19)
“Leuker kunnen we het niet maken!” Onder dat adagium
helpt de belastingdienst ons met het invullen van onze
belastingaangifte. De belastingdienst toont daarmee aan vrijwel
alles van onze financiële huishouding te kennen. De laatste
details geven wij zelf nog even aan. Als deze dagen de
gemeentelijke belastingaanslagen weer in de bus vallen, staat
daarin keurig hoe we de bepaling van de WOZ waarde van onze woning
kunnen inzien. Via onze DigiD zien we dat de gemeente zelfs weet
hoe groot onze kelder is. We zijn eraan gewend en er wordt
publiekelijk geen debat over privacy gevoerd. Hoe anders is dat
toch bij onze gezondheid. Met name politici uiten daar dagelijks
hun zorgen over de privacy. Er wordt al vele jaren gewerkt aan de
invoering van een electronisch patiëntendossier. Overigens
geen erg slimme naam. Persoonlijk zorgdossier of gezondheidsdossier
was wellicht beter geweest. Na een eerste idee om een landelijk
dossier op te zetten, besloten onze politici om dat vooralsnog
eerst kleinschalig en regionaal te doen. Het belangrijkste obstakel
was de techniek die niet in staat zou zijn voldoende beveiliging te
bieden. Deze regionale initiatieven, hoe goed bedoeld ook, volgden
de Duitse standaard regel dat “ein bischen und ein bischen,
bleibt ein bischen”. Opvallend was wel dat op enig moment
besloten werd tot een landelijke schakelpunt. Juist vanuit de
beveiligingsgedachte was dat een grote stap. Nu de definitieve
invoering van het electronisch dossier dichterbij leek te komen,
klonk in de Eerste en Tweede Kamer de roep om eerst maar eens
regionaal aan de gang te gaan. Hadden we die fase al niet
gehad?
In de Eerste Kamer klonk het argument dat een dergelijk dossier nog
nergens ter wereld is ingevoerd. Afgezien van het feit dat dit niet
geheel correct is, lijkt mij dat een unieke kans om, in het kader
van onze topgebieden, voor de betrokken ondernemingen die het
systeen inrichten, een unieke exportkans te hebben. Het zal niet de
eerste keer zijn dat Nederlandse innovaties hun weg in de
wereldmarkt vinden.
Laten we de zaak nog eens op een rijtje zetten:
De kosten van de gezondheidszorg stijgen in snel tempo. Er dreigt
een enorm tekort aan medisch personeel in de komende decennia. Onze
zorg heeft nog altijd een sterk accent op de correctieve zorg en
nog te weinig op de preventieve zorg. De zorgketen is nog altijd
verre van efficiënt. We zullen artsen en andere specialisten
in de toekomst vooral de mogelijkheid moeten bieden met hun
feitelijke vak bezig te zijn en niet voor een groot deel van hun
tijd als administratief medewerker te moeten functioneren. We
zullen foute diagnoses door het ontbreken van essentiële
gegevens over een patiënt moeten verminderen. Niet iedere
patiënt is, na een ongeval of medisch probleem in staat om
zijn gezondheidsgeschiedenis feilloos op te geven.
Het electronisch patiëntendossier, of laten we het maar
gelijk ons electronisch zorgdossier, kan hierin een essentiële
rol spelen. Een nationaal datacenter, kan evenals ons
belastingdossier in het domein van de overheid blijven, ook als
delen van de uitvoering door private organisaties worden gedaan. De
beschikbare technologie voor de beveiliging van, en de
gedifferentieerde toegang tot, de dossiers is door ervaring in
andere toepassingen ruimschoots voorhanden. De patiënt zal
blij zijn dat hij niet elke keer zijn totale verleden en zijn
medicatie met lastige Latijnse namen hoeft op te lepelen. Het
grootste voordeel zal zijn, dat met een goed bijgehouden dossier,
de medische zorg voor een groter deel preventief zal kunnen zijn.
Een patiënt een oproep geven voor een check, op basis van een
verhoogd risico, hetgeen uit het dossier kan blijken zal geen
utopie blijken te zijn. Laten we na die vele jaren praten en
experimenteren nu snel overgaan tot de invoering van het
electronisch zorgdossier, als variant op het belastingmotto:
“Gezonder kunnen we het niet maken”.
Martin C.J. van Pernis, President KIVI NIRIA
Scheppend denken en schouwend doen 09-04-2011
(TW14)
Tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de diverse besturen van
het Koninklijk Instituut van Ingenieurs KIVI NIRIA werd door
één van de aanwezigen een terecht pleidooi gehouden
voor de maakindustrie in ons land.
Politici en soms zelfs hoogleraren willen nog wel eens een
uitlating doen dat ons land zich volledig op de logistieke sector
en de dienstverlening zou moeten storten. Veelal hebben deze heren
en dames weinig kennis van de werkelijke situatie in ons land. We
hebben fantastische bedrijven waar niet alleen hoogwaardige
producten worden gemaakt, maar ook hoogwaardige research en
ontwikkelingen plaatsvinden. Waar de grote ondernemingen zoals DSM,
AKZO NOBEL en Philips nog wel algemeen bekend zijn, geldt voor veel
andere kleine en grote ondernemingen dat er weinig besef is over de
kwaliteit van die ondernemingen en de hoogwaardige werkgelegenheid
die zij aan hun werknemers bieden. Bedrijven als Aalberts
Industries, Van der Lande, VDL, Ten Cate, IHC Merwede, Damen
Shipyards en vele anderen hebben een kennis ontwikkeld waarmee zij
in, en vooral ook buiten, ons land zeer succesvol zijn.
Voor de ingenieur zijn deze ondernemingen van het grootste
belang. Zonder ingenieurs geen hoogwaardige ontwikkeling, maar
zonder innovatieve en succesvolle ondernemingen zijn er ook niet
voldoende hoogwaardige ingenieursplaatsen.
Veel van deze bedrijven hebben een deel van de productie naar
andere landen verplaatst. Niet altijd vanwege de daar aanwezige
lagere lonen maar om dichter bij de klant te zitten. Waar de
productie dan dichtbij de klant plaatsvindt, blijft de
ontwikkeling, de logistiek en de financiële bedrijfsvoering in
ons land. Dat alles genereert hoogwaardige werkgelegenheid.
Technische bedrijven blinken veelal uit in bescheidenheid, iets wat
wellicht ook een beetje ingenieurs ‘eigen’ is. Het is
van het grootste belang dat we deze bedrijven de mogelijkheid
bieden hun hoogwaardige werkgelegenheid te laten behouden en, waar
mogelijk, uit te breiden. Ook zal de band met de onderwijs- en
kennisinstellingen verder moeten worden versterkt.
KIVI NIRIA zal hier een platform bieden om partijen niet alleen
bij elkaar te brengen, maar ook te assisteren bij de verdere
ontwikkeling van kennis voor deze maakindustrie. Eén van de
middelen is de, samen met FME CWM, te organiseren nieuwe reeks
Industriepoorten. In deze bijeenkomsten in het perscentrum
Nieuwspoort ontmoeten bedrijven, politici en vertegenwoordigers van
de kennisinstellingen elkaar. Aan de politiek en andere
stakeholders vraag ik met nadruk: koester onze Nederlandse
maakindustrie!!
Martin C.J. van Pernis, President KIVI NIRIA
Generiek of specifiek 12-03-2011 (TW10)
De keuze van het kabinet om te investeren in de negen
sleutelgebieden levert de nodige discussies op. Het grootste
werkgeversverband VNO-NCW geeft bij monde van haar voorzitter
Bernard Wientjes aan, hier volledig achter te staan. Een aantal
hoogleraren daarentegen wijzen deze vorm van innovatieondersteuning
volledig af en pleiten voor bevordering van generieke
innovatie.
De oorzaak van de keuzes die nu worden gemaakt, ligt aan de tot
nu toe weinig succesvolle stimulering van innovaties onder
voorgaande kabinetten. Niet geheel onbegrijpelijk dus. Het is
tamelijk logisch om, op een moment dat de middelen schaars zijn, in
te zetten op gebieden die al succesvol zijn of nadrukkelijke
potentie hebben dat op afzienbare termijn te worden. Toch zijn de
meeste succesvolle en ingrijpende innovaties in de wereld ontstaan
door nieuwe en minder voor de hand liggende innovaties. Bedrijven
als Cisco, Google en LinkedIn zijn allen ontstaan uit innovaties
die sterk afweken van het bestaande patroon van producten en
toepassingen.
Het is dan ook te wensen dat de groepen, die momenteel de
businessplannen voor de negen sleutelgebieden opstellen, voldoende
ruimte laten voor generieke ontwikkelingen.
De mondialisering heeft ervoor gezorgd dat ons veld van
concurrenten is vergroot. We zullen onze positie alleen kunnen
behouden en versterken als we als een van de eersten in gebieden
stappen die werkelijk innovatief zijn.
Daarbij is het goed om te kijken op welke gebieden andere Europese
landen actief zijn, en of er samenwerkingsmogelijkheden met andere
landen mogelijk zijn.
Een gebied wat opvallend afwezig is in de overwegingen van de
regering is de ruimtevaart. Dit, ondanks het feit dat het een van
de sterkste faculteiten aan de TU Delft is, we een behoorlijk
aantal zeer innovatieve ondernemingen in de sector hebben, bij de
vestiging van ESA in Noordwijk zo’n 2.500 specialisten
werken, waarvan zeer veel Nederlanders, en onze landgenoot
André Kuipers in november voor zes maanden naar het
ruimtestation ISS vertrekt.
Er is onvoldoende besef wat het belang is van de
ruimtevaarttechnologie voor vele ontwikkelingen in de samenleving.
Ruimtevaart is ook bij uitstek een Europees thema. Nederland mag en
kan de positie die ze heeft verworven niet prijsgeven.
Alles beschouwend is het een riskante keuze om de
innovatiebudgetten van de overheid te beperken. Omdat de grotere,
ons omringende, landen nadrukkelijker op innovatie inzetten zal dit
tot een verslechterde positie kunnen leiden. Kiezen voor sterkte is
begrijpelijk, echter het ontwikkelen van nieuwe innovaties die uit
generieke ontwikkeling ontstaan, is evenzo noodzakelijk. Wel zullen
de kennisinstellingen en het bedrijfsleven elkaar beter moeten
vinden.
Kennisinstellingen moeten afleren om bedrijfsfinanciering als
‘knellend’ te ervaren, andersom zal het bedrijfsleven
voldoende ruimte moeten laten aan de wetenschappers. Het Koninklijk
Instituut Van Ingenieurs KIVI NIRIA waarin 25.000 ingenieurs
verenigd zijn, biedt zich gaarne aan als
(gespreks)partner.
Martin C.J. van Pernis, President KIVI NIRIA
Verkeersdrukte 12-02-2011 (TW6)
Recent genoot ik van een korte skivakantie in Oostenrijk. Bij
aankomst leek de lente zijn intrede te hebben gedaan. Maar in de
loop van de week veranderde het weer en viel er twee dagen en
nachten vrijwel onophoudelijk sneeuw. Toen ik ‘s ochtends een
dik pak sneeuw zag liggen en de lokale radiozender beluisterde,
verwachtte ik een reeks van files en de nodige problemen op het
spoorwegnet. Verbaasd hoorde ik echter dat in geheel Oostenrijk het
treinverkeer zonder problemen functioneerde en er slechts
één file op de autowegen werd gemeld: 2 kilometer
voor Innsbruck, wegens wegwerkzaamheden.
“Zullen we niet gaan verhuizen?” opperde ik aan
mijn echtgenote. “Geen files, treinen die volgens de
dienstregeling rijden...” Ideaal. Natuurlijk hoor ik u
denken: “Oostenrijk is een groot land met veel minder
inwoners dan Nederland; ze zijn daar gewend aan winterse
omstandigheden; en ga zo door”.
De vraag die je echter moet stellen is of we in Nederland, door
de bevolkingsdichtheid, dan maar deze kommer en kwel moeten
accepteren. Kamerleden schreeuwen moord en brand en eisen dat de
bazen van de NS en Prorail moeten opstappen. Alsof dat de problemen
zal oplossen. Het zijn echter juist de politici die, in de jaren
zeventig en tachtig van de vorige eeuw, de voortdurende groei van
de mobiliteit hebben ontkend en ervan uit gingen dat de
congestieproblemen zichzelf wel zouden oplossen.
En zo hebben we op een nauwelijks vergrote infrastructuur
ongelooflijk veel verkeer toegevoegd. Dat geldt zowel voor het
wegennet als voor het spoorwegnet. De structuur daarvan is, door
die hoge bezettingsgraad, zo kwetsbaar geworden dat een kleine
verstoring onmiddellijk grote gevolgen heeft. Dat probleem zal,
gezien de verdere groei van de mobiliteit, alleen nog maar groter
worden. Organisaties als NS, Prorail en Rijkswaterstaat zetten zich
in om steeds meer verkeer te accommoderen op de schaarse
infrastructuur. Maar actiecomités trachten plannen om nieuwe
infrastructuur toe te voegen of bestaande substantieel uit te
breiden, te vertragen of zelfs te vernietigen.
Gelukkig zijn er lichtpuntjes. Het A2 convenant waarin partijen
harde afspraken maakten voor een versnelde realisatie, de
noodmaatregelen van de vorige minister van Verkeer en Waterstaat om
projecten sneller tot uitvoering te bewegen, zijn goede
voorbeelden. Maar het zijn nog altijd beperkte mogelijkheden om het
knellende probleem op korte termijn op te lossen. Intussen wordt
van de ingenieurs van Prorail, NS en Rijkswaterstaat vrijwel het
onmogelijke gevraagd: nog meer verkeer, zonder vertragingen en/of
congestie op de bestaande infrastructuur.
Politici, verdiep u eerst iets meer in de technische
mogelijkheden en onmogelijkheden van een infrastructuur die steeds
zwaarder wordt belast; wellicht leidt dat tot iets meer nuancering
van uw kritiek. Maar voer ook eens overleg met diezelfde ingenieurs
over de toekomst van onze infrastructuur. Wellicht bereiken we dan
ooit ‘Oostenrijkse’ toestanden.
Martin C.J. van Pernis, President KIVI NIRIA
Grondstoffenschaarste 15-01-2011 (TW2)
Grondstoffenschaarste kennen we al vele jaren. De sluiting van
veel kolenmijnen, de oliecrisis; ze liggen nog vers in de
herinnering. Wereldwijd genereerde deze schaarste een golf aan
innovaties. Solarpanelen, zonnecollectoren, windenergie, energie
uit biomassa en zelfs de komst van de elektrische auto waren de
directe gevolgen.
Nieuw is de schaarste aan zogenaamde aardmetalen. Stoffen als
scandium (Sc), lanthanium (La) en gadolinium (Gd) worden in moderne
elektronicaproducten toegepast. Scandium vinden we in producten als
LCD beeldschermen en mobiele telefoons. Lanthanium komt onder meer
voor in nikkelmetaal batterijen en vacuümbuizen voor de
beeldindustrie. Gadolinium wordt gebruikt voor de activering van
fosforlagen in beeldbuizen, op cd’s en als contrastmiddel bij
MRI scans. In de batterijen voor de Toyota Prius wordt bijvoorbeeld
15 kilo lanthanium verwerkt. In de westerse landen wordt vanwege de
moeilijke en soms zeer milieuonvriendelijke omstandigheden de
winning ervan stil gelegd.
Door de enorm sterke toename van de elektronicaproductie is
China met afstand de grootste gebruiker van deze aardmetalen. Door
de genoemde sluiting van westerse mijnen is China op dit moment
vrijwel de enige producent. Om in eigen behoefte te kunnen voorzien
heeft de Chinese regering de export van dergelijke metalen sterk
beperkt. Behalve het feit dat China zelf de grootste afnemer is,
zijn er ook serieuze initiatieven om de winning van aardmetalen in
China te verduurzamen.
De behoefte aan zeldzame aardmetalen zal in de komende drie jaar
tenminste verdubbelen. Nu al is duidelijk dat de beschikbare
productiecapaciteit en de exportbeperking van China deze vraag niet
zal kunnen beantwoorden. Dit ondanks het feit dat eerder gesloten
productiefaciliteiten in Australië en de Verenigde Staten
opnieuw in gebruik worden genomen. Ook beleggers hebben deze
‘opportunity’ ontdekt, waardoor, afgezien van de
schaarste, er ook een opwaartse prijsdruk zal ontstaan. Op vele
fronten wordt daarom gewerkt aan alternatieven voor deze
aardmetalen. De grote elektronicaconcerns hebben daarvoor extra
ontwikkelingsgelden aan de R&D afdelingen ter beschikking
gesteld.
KIVI NIRIA heeft besloten de grondstoffenschaarste en de
ontwikkeling van alternatieven dit jaar centraal te stellen.
Wetenschappers worden uitgedaagd het onderzoek naar alternatieven,
die geen of minder schaarste kennen, ter hand te nemen. Ook zal
nader onderzoek moeten plaatsvinden naar een gereduceerd gebruik
van de metalen. In de aanloop naar het jaarcongres zal een aantal
lezingen plaatsvinden ter voorbereiding van het jaarcongres in het
najaar.
Het vorig jaar tot speerpunt gemaakte thema over het duurzaam
omgaan met energie zal tevens worden gecontinueerd.
KIVI NIRIA daagt haar leden uit gezamenlijk over de thema’s
de dialoog aan te gaan en in hun werk, waar mogelijk, bij te dragen
aan het wetenschappelijk onderzoek.
Martin C.J. van Pernis, President KIVI NIRIA
|
Een keer per maand geeft KIVI NIRIA president Martin
van Pernis in ons katern KIVI NIRIA Nieuws in
Technisch Weekblad zijn visie op de wereld van techniek en
maatschappij. Soms licht ironisch, dan weer scherp, maar altijd met
een fijn oog voor de actualiteit…
Columns 2011
Archief
columns
|
|